Gaat mijn kind nog wel praten als er alternatieven op spraak worden ingezet?

Er zijn ouders en hulpverleners die afwijzend staan tegenover de inzet van communicatie ondersteunende methoden en technieken als alternatief voor spreken. Spreken is echter niet de enige uitingsvorm om je stem te laten horen. 

Er is interactie nodig om tot communicatie en taal te komen. Recht doen en ruimte bieden aan communicatie(ondersteuning) en taal creëert gelegenheden met optimale kansen om tot spraak, gebaren of een andere uitingsvorm te komen.

 

Wellicht de meest prangende vraag die ouders van niet sprekende kinderen met meervoudige beperkingen zich stellen is of hun kind ooit wel tot spreken zal komen. Ze hopen dat hulpverleners hun vrees op het uitblijven van  spraak kunnen wegnemen.

Die verwachting en hoop maken dat ouders en ook hulpverleners afwerend staan tegenover de inzet van communicatie ondersteunende methoden en technieken als alternatief voor spreken. Of … dat ze ondersteunde communicatie (OC) als een allerlaatste optie zien, de laatste uitweg nadat al het andere is uitgeprobeerd. De vooronderstelling is dat deze vervangende methoden en hulpmiddelen (zoals gebaren, foto’s, pictogrammen, spraakcomputers) de kans en mogelijkheden tot spraakontwikkeling blokkeren. Is die vrees gerechtvaardigd? Die vrees is begrijpelijk, maar duidt tegelijkertijd ook op een hardnekkige mythe. 

Spreken is niet de enige uitvormingsvorm om je stem te laten horen

Inmiddels weten we uit tal van ervaringen dat spraak-vervangende uitingsvormen (zoals gebaren, concrete voorwerpen als verwijzers, tekeningen, pictogrammen en spraakcomputers) veel mensen die niet of nauwelijks konden spreken en vaak ernstig meervoudig beperkt zijn, een eigen stem heeft gegeven.  Een stem die zich via een alternatieve vorm is gaan uiten en in het kielzog daarvan ook de ontwikkeling van spraakklanken heeft gestimuleerd.  Het kunnen ‘spreken’ is één vorm van taalgebruik, weliswaar de meest efficiënte, vernuftig beregelde en voldragen uitingsvorm …. maar niet de enige.

In veel gevallen gebruiken we ook andere uitingsvormen van taal. Bijvoorbeeld uitbeeldende gebaren als we een taal niet spreken of niet op het juiste woord komen. Mensen die vanaf de geboorte doof zijn, hebben meer aanleg om gebarentaal te ontwikkelen omdat een klanktaal voor hun niet toegankelijk is.  Taal ontstaat in de hersenen en ontwikkelt zich via communicatie met anderen in de omgeving. Bij mensen is die drang tot communicatie en taalontwikkeling aangeboren. Hoe dan ook ….

Interactie is nodig om tot communicatie en taal te komen

In de omgeving waarin we vanaf de geboorte terecht komen moeten we onze weg vinden en zien te overleven. De interactie met de ons omringende omgeving maakt communicatie, de uitwisseling van informatie en kennis noodzakelijk. 

Het helpt ons en de omgeving aan elkaar aan te passen. Alle zintuigen en uitingsvormen zijn daarbij in principe gelijkwaardig en kunnen elkaar vervangen.

Van nature uit leren we al gauw de omgeving en anderen om ons heen kennen en beïnvloeden, vooral met niet-gesproken uitingen (kijken, reiken, wijzen, pakken, gebaren, huilen, lachen, schreeuwen, klank nabootsingen, vocalisaties, lichaamssignalen).  Aandacht richt ons waarnemen. Goed kunnen waarnemen (bijvoorbeeld details in gehelen onderscheiden) maakt dat we kunnen gaan vergelijken en combineren, associëren en betekenis leren toekennen, vaste patronen gaan herkennen en geheugen hiervoor te ontwikkelen. Dat biedt overzicht op de omgeving, biedt vertrouwen, veiligheid en leidt tot inzichten.  Het schept rituelen, patronen en zekerheid als je weet wat iets betekent en wat er wanneer gaat komen.

 

Sociaal-emotioneel biedt dat de kans op reflectie en invoelingsvermogen. Onze motoriek en mobiliteit maakt het bereik van een wijdere omgeving mogelijk … Dat alles is nodig om tot communicatie en taal te komen. In de hersenen zijn al die onderdelen via een uitgebreid samenhangend netwerk met elkaar verbonden. Dat alles maakt dat taal die niet tot spraak komt in communicatie altijd een passende uitweg vindt om tot expressie te komen. Geen communicatie biedt voor mensen die niet kunnen spreken en ook geen kans en perspectief krijgen op expressie via andere uitingsvormen (waaronder ondersteunende communicatievormen) geen uitzicht op ontwikkeling, leren en deelnemen aan onze maatschappij.

Conclusie

Milo hanteert als ‘lijfspreuk’ dat kennis over de wijze waarop communicatie en taal in het brein zijn ontwikkeld en georganiseerd, inzicht en zicht bieden op de totale – en leerontwikkeling van mensen (al dan niet met meervoudige beperkingen) in relatie tot hun persoonlijke  en omgevingskenmerken.  We weten ons inmiddels ondersteund door tal van wetenschappelijke studies en praktijkervaringen die aangeven dat  communicatie(ondersteuning)  gelegenheden en optimale kansen creëert om tot spraak, gebaren of een andere uitingsvorm te komen. Zonder OC is dat vooruitzicht nihil. Dus … OC mag zeer zeker niet gezien worden als laatste optie of laatste redmiddel (Cress, 2003; Schlösser,2003).

Bronnen

  • Balkom, H. van (2012). Taal die niet tot spraak komt, vindt in communicatie altijd een uitweg. Orthopedagogiek: Onderzoek en Praktijk, 51(5), 203-219. (Inaugurele rede, 16 juni 2011 Radboud Universiteit Nijmegen).
  • Balkom, L,J.M. van  (2014). Ondersteunende Communicatietechnologie. In Geertzen, J.H.B., Rietman, J.S., & Vanderstraeten, G.G. (red), Revalidatie voor Volwassenen (pp 568-579). Assen: Van Gorcum,
  • Cress, C. J. (2003). Responding to a common early AAC question: “Will my child talk?” Perspectives on Augmentative and Alternative Communication, (12), 10–11.v
  • Romski, M., & Sevcik, R.A. (2005). Augmentative Communication and Early Intervention. Myths and Realities. Infants & Young children, 18(3), 174-185.
  • Schlösser, R. W. (2003). Effects of AAC on natural speech development. In R. W. Schlosser (Ed.), The efficacy of augmentative and alternative communication: Toward evidence-based practice (pp. 404–425). San Diego, CA: Academic Press.
  • Van der Schuit, M., Stoep, J., & Van Balkom,H. (2012). Kinderen Leren Initiatieven Nemen in communicatie. Vroege taalinterventie in een speel-/leeromgeving voor kinderen met meervoudige beperkingen. Orthopedagogiek: Onderzoek en Praktijk, 51(7-8), 350-368