Van overzicht naar communicatie

In de interactie met anderen zijn we dagelijks voortdurend bezig om ons te oriënteren. Oriëntatie is een van de kerndomeinen waarin ons vermogen tot communiceren ligt besloten.

“Ik word wakker en bedenk na het opstaan hoe mijn dag eruit gaat zien. Ik wil vandaag veel dingen doen en ga even zitten en maak een lijstje. Uit ervaring weet ik dat alles opschrijven en op volgorde zetten me helpt om overzicht te krijgen. Gedurende de dag kijk ik regelmatig op mijn lijstje en streep af wat ik klaar heb. In de middag ga ik op verjaardagsbezoek bij een vriend. In de auto rij ik automatisch de bekende route en hou het verkeer in de gaten, ondertussen bedenk ik wie er allemaal op het feest zullen zijn. Als ik binnenkom, zie ik dat er veel meer mensen zijn dan ik verwacht had. Eerst zoek ik mijn vriend en kijk om me heen. Als ik hem gevonden heb, omhels en feliciteer ik hem en geef mijn cadeautje. Daarna kijk ik de kamer rond. Ik besluit iedereen te feliciteren, waarbij ik onbekenden een hand geeft en bekenden een zoen. Vervolgens ga ik bij iemand zitten die ik al eens eerder gesproken heb. Terwijl ik ga zitten, bedenk ik waar we het de vorige keer over gehad hebben, op zoek naar een gespreksonderwerp”.

Om dagelijks te kunnen functioneren zijn we voortdurend bezig om ons te oriënteren: lichamelijk, ik laveer, zonder te botsen, tussen de gasten op het feest door naar mijn vriend;  in tijd, ik zorg dat ik mijn taken afwerk en op tijd op het feestje ben; in ruimte, ik zoek met mijn blik mijn vriend op en loop naar hem toe; en sociaal, ik bedenk wie ik een hand of een zoen geef als begroeting en bedenk een passend gespreksonderwerp om een gesprekje aan te knopen. Oriëntatie op al deze verschillende terreinen stuurt mijn handelen en mijn interactie en communicatie met anderen in mijn omgeving.

In de interactie met anderen in de omgeving, volwassenen en kinderen, kan het kind de eigen rol en invloed ervaren.

De oriëntatie van een pasgeborene is puur gericht op het eigen lichaam en start vanuit de relatie met de verzorgers. Door een kindje te koesteren, wiegen, voeden, ertegen te praten en ervoor te zingen kan het op basis van zintuiglijke gewaarwordingen een relatie met de ander aangaan. Dit is de basis om de wereld stapje voor stapje te ontdekken en te leren kennen. Door te gaan kruipen kan het kind de ruimte gaan exploreren en het kind kan in toenemende mate volgordes en patronen gaan onthouden. In de interactie met anderen in de omgeving, volwassenen en kinderen, kan het kind de eigen rol en invloed ervaren. Dit alles draagt bij aan het ontwikkelen van de oriëntatie op de verschillende, hierboven genoemde, terreinen.

Voor een kind met meervoudige beperkingen is oriëntatie vaak niet vanzelfsprekend. Beperkingen in aandacht, waarneming, geheugen en motoriek kunnen het ervaren van het eigen lichaam in relatie tot de ruimte, het herkennen van volgordes, ritmes en rituelen en het leggen en onthouden van verbanden belemmeren. Het kind krijgt hierdoor moeilijk overzicht. De omgeving wordt minder voorspelbaar en het voelt alsof de dingen hem overkomen, wat een onveilig gevoel geeft en het nemen van initiatieven bemoeilijkt. Als reactie zal het kind zich terugtrekken en de omgeving angstvallig in de gaten houden of deze ontvluchten door weg te lopen, interactie te ontwijken, heen en weer te rennen. De focus van het kind komt dan te liggen op zichzelf handhaven en overleven en het zal minder openstaan voor interactie en communicatie.

Bij Stichting Milo werken we met kinderen met communicatief meervoudige beperkingen. Dit betekent dat er op meerdere kerndomeinen belemmeringen kunnen optreden die een goede oriëntatie in de weg staan. Door de sterktes en zwaktes op al deze domeinen zorgvuldig in kaart te brengen wordt duidelijk wat ingangen zijn om de oriëntatie te versterken en daarmee de weg te bereiden voor de communicatieve ontwikkeling. Voor elk kind kan dit er weer anders uitzien, zoals onderstaande voorbeelden voor mij treffend laten zien.

Door in de behandeling te starten bij alertheid, aandacht en een vaste regelmaat en gevisualiseerde structuur kon gewerkt worden aan de oriëntatie van Floor.

Floor is een meisje van 10 jaar en heeft het Phelan Mc-Dermid syndroom. Hierdoor heeft zij onder andere een verstandelijke beperking, problemen met het verwerken van sensorische informatie en ernstige spraak-taalproblemen. Bij de start van het Milo traject had Floor veel moeite om haar alertheid op peil te houden en haar aandacht te richten en vol te houden. Dit had te maken met een verminderd lichaamsbesef. Floor was zich niet goed bewust van haar lichaam, voelde haar lijf onvoldoende. Hierdoor was Floor steeds op zoek naar bewegings- en tastprikkels om zo haar lichaam te ervaren en voldoende alert te blijven. Ze was veel in beweging, kon moeilijk blijven zitten en had de behoefte met spullen in de weer te zijn; verplaatsen, duwen, sjouwen, soms ook gooien. Ze kon haar aandacht maar kort focussen. Hierdoor mistte ze veel van wat er om haar heen gebeurde. Ze kreeg informatie uit haar omgeving maar beperkt mee. Bovendien had zij moeite met het verwerken van gesproken taal. Dit alles maakte dat zij moeilijk overzicht kreeg over haar dag en vaak niet goed wist wat er van haar verwacht werd of wat de volgende stap in een activiteit was. Dit resulteerde erin dat Floor vaak verzet liet zien bij het doen van activiteiten. Ze weigerde of liep weg.

In het interventietraject hebben we de eigen strategie van Floor, in beweging zijn en tastervaringen opzoeken, als ingang genomen om uiteindelijk de oriëntatie te versterken en haar overzicht te geven over haar omgeving. We introduceerden een plankast met als verwijzers houten blokjes met daarop een pictogram.

Door elke activiteit te starten en eindigen bij de plankast kon Floor het ritme in de dagplanning en de route in de ruimte fysiek ervaren. Door de beweging en het inzetten van de tast (blokje vasthouden) bleef Floor beter alert. Dit werkte goed, al snel kon zij haar planning met minimale begeleiding zelf volgen. Tijdens activiteiten pasten we dit principe ook toe. We lieten Floor tijdens activiteiten functioneel bewegen en tegelijkertijd tastervaringen opdoen door haar bijvoorbeeld de benodigde materialen één voor één te laten verzamelen. Door tegelijkertijd de opeenvolgende stappen in een activiteit te visualiseren in een script kon Floor betekenis gaan verlenen aan de picto’s en hier een (fysieke) ervaring aan gaan koppelen. Dit hielp haar om zich binnen een activiteit te oriënteren. Ze wist steeds beter wat de bedoeling was en wat er van haar verwacht werd en nam steeds vaker zelf initiatief binnen de activiteit. Op een later moment leerde Floor communiceren met de app Widgit Go op een iPad. Het zelf meenemen van haar iPad en opzoeken van de bijbehorende activiteitenkaart bleek haar ook goed te helpen om zich te oriënteren op de activiteit.

Doordat Floor nu meer overzicht had, was ze rustiger, was er ruimte om begrippen in de Widgit Go te modelleren en te koppelen aan de ervaringen van Floor. Floor ging meer en meer communiceren over de activiteit door aan te geven dat ze iets nog een keer wilde, door spelmateriaal te benoemen of 

 

resoluut aan te geven dat ze klaar was en de volgende activiteit in haar planning wilde. Dit laat zien dat ze inmiddels, ook als ze niet bij de plankast in de buurt was, een idee had van volgende stappen in de dag. Door in de behandeling te starten bij alertheid, aandacht en een vaste regelmaat en gevisualiseerde structuur kon gewerkt worden aan de oriëntatie van Floor. Dit gaf rust en ruimte waardoor Floor tot leren komt en haar actieve begrippennetwerk uit kan breiden met inzet van de Widgit Go.

Bij Karlijn gebruikten we haar vaardigheid om snel associaties te maken en betekenis te verlenen aan voorwerpen en signalen uit de omgeving om haar zo te helpen bij haar oriëntatie.

Karlijn is een jongedame van 17 jaar. Bij de start van het Milo traject sprak zij niet en ze begreep maar heel beperkt gesproken taal. Een sterke vaardigheid van Karlijn was dat zij snel associaties maakte en hier betekenis aan verleende. Dit gold zowel voor vaste routines en volgordes als voor voorwerpen. Helaas was dit niet altijd de betekenis die haar ouders met haar wilden communiceren. Dit zorgde vaak voor boze buien van Karlijn als zij bijvoorbeeld haar jas zag liggen in de kamer en daardoor dacht dat ze ging wandelen, terwijl haar moeder andere plannen had. Ook ging het vaak fout als zij in de taxi zat en deze langs het huis van haar moeder reed, op weg naar het logeeradres. Karlijn dacht bij het zien van het huis naar mama te gaan en begreep dan niet waarom dit niet gebeurde. Karlijn wist eigenlijk knap gebruik te maken van voorwerpen en signalen in haar omgeving om zich te oriënteren op wat er ging gebeuren, maar legde niet altijd de ‘juiste’ link, althans, niet de link die haar communicatiepartners zelf legden. Dit zorgde voor veel onbegrip en stress bij Karlijn doordat de wereld voor haar onvoldoende voorspelbaar was.

Bij Karlijn gebruikten we haar vaardigheid om snel associaties te maken en betekenis te verlenen aan voorwerpen en signalen uit de omgeving om haar zo te helpen bij haar oriëntatie. Samen met ouders hebben we een selectie gemaakt van voorwerpen die voor Karlijn gekoppeld zijn aan specifieke activiteiten om in te zetten als verwijzers. We zijn begonnen met het intrainen van de verwijzers. Om Karlijn de koppeling te leren maken tussen verwijzer en activiteit hebben we gebruik gemaakt van backwardchaining  Dit betekent dat we de verwijzer eerst direct voorafgaand aan de activiteit hebben aangeboden zodat Karlijn de link kon leggen. Vervolgens zijn we deze letterlijk fysieke afstand in stapjes gaan vergroten. Karlijn legde de koppeling al heel snel. Vervolgens werden de verwijzers op een vaste plek aangeboden vanuit een verwijzerskast. Ook dit had Karlijn snel door. Als ze meegenomen werd naar de verwijzerskast, pakte ze al snel zelf de verwijzer en zocht zelf de activiteit op. Behalve als ze echt geen zin had, dan weigerde ze de verwijzer te pakken en begon te mopperen. Wat een mooie ontwikkeling ook van haar eigen regie en het nemen van initiatieven! Wanneer je weet wat er gaat komen, kun je hier veel actiever op (re)ageren.

Om beter aan te sluiten bij de wensen van Karlijn zijn de ouders vervolgens vaker keuzes aan gaan bieden en Karlijn bleek ook heel goed te kunnen kiezen uit twee of drie verwijzers. Uiteindelijk werden er drie verwijzers tegelijk aangeboden in haar verwijzerskast. Karlijn pakte eigenlijk vanaf het begin de meest linkse verwijzer en werkte de activiteiten zo mooi in volgorde af van links naar rechts. Maar ze gebruikte de verwijzers ook om haar voorkeuren aan te geven. Pakte ze bijv. niet de eerste maar de tweede verwijzer dan bleek dit meestal een bewuste keuze te zijn. Vaak kon de wens van Karlijn gehonoreerd worden. De verwijzers werden dan zichtbaar voor Karlijn omgedraaid en er werd haar verteld dat haar wens om bijvoorbeeld eerst te gaan wandelen oké was. Initiatieven moeten immers beloond worden. Op deze manier was de verwijzerskast niet alleen een hulpmiddel om de dagplanning duidelijk te maken, maar werd het ook een communicatiemiddel waarmee Karlijn haar wensen kenbaar kon maken.

Daarnaast is er goed gekeken naar ritmes en routines gedurende de dag. Karlijn had hier een goed geheugen voor en vaste routines gaven Karlijn houvast. Tegelijkertijd zorgde het voor onbegrip als routines doorbroken werden of niet overal hetzelfde verliepen. Door de dagelijkse routines goed in kaart te brengen en vast te leggen door deze stapsgewijs te beschrijven in zogenaamde handelingsscripts voor de begeleiders, kwam er meer eenduidigheid in de omgang met Karlijn. Ook het aankondigen van activiteiten met verwijzers werd in deze scripts per activiteit vastgelegd. De terugkerende dagelijkse routines zijn nu herkenbaar voor Karlijn, onafhankelijk van degene die haar begeleidt. Daardoor kan zij beter anticiperen op wat er komen gaat.

Gerelateerde Berichten