Dit is wat je moet je weten over OC

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedIn

De NVLF heeft in samenspraak met Hans van Balkom en Gerna Scholte een factsheet gemaakt met feiten en cijfers over Ondersteunde Communicatie (OC). Op 6 maart, de Europese dag van de Logopedie staat OC centraal. De Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie (De NVLF) wil met deze factsheet laten zien wat de waarde is van OC voor mensen die niet of nauwelijks (verstaanbaar) kunnen spreken. De integrale tekst van de NVLF factsheet luidt als volgt.

Feiten en cijfers over Ondersteunde Communicatie – maart 2018

Ondersteunde Communicatie (OC) is het inzetten van alle mogelijke communicatievormen en -hulpmiddelen om communicatie toch mogelijk te maken met mensen die - vanwege (ernstige) stoornissen of beperkingen - belemmeringen ervaren in het waarnemen, verwerken, begrijpen en uiten van spraak, gebarentaal en schrift.  Bij OC spelen de communicatiepartners een belangrijke rol: ook zij moeten de ondersteunende communicatievormen kunnen gebruiken.

 Uitgangspunt bij OC is dat alle zintuigen en communicatievormen elkaar in principe kunnen vervangen. Bij de keuze voor de best passende communicatie-ondersteuning ligt de focus op het achterhalen van de sterkst ontwikkelde of (nog) resterende vaardigheid. Hiervoor is het nodig een kluwen van elkaar beïnvloedende stoornissen, beperkingen, persoonlijke factoren en omgevingsinvloeden zorgvuldig te ontrafelen. De logopedist speelt hierbij een centrale rol.

Aantal gebruikers

In Nederland hebben naar schatting 600.000 mensen een OC-voorziening nodig. De groepen mensen die het meeste gebruikmaken van communicatiehulpmiddelen zijn:

  • Ouderen die intensieve zorg nodig hebben
  • Mensen met verstandelijke en/of zintuigelijke beperkingen
  • Mensen met een chronisch of degeneratief neurologisch ziektebeeld, zoals ALS
  • Mensen met niet-aangeboren hersenletsel (NAH), zoals CVA of THL met afasie
  • Leerlingen in het speciaal en passend onderwijs met zeer ernstige spraak- en taalstoornissen
  • Kinderen en volwassenen met zeer ernstige meervoudige beperkingen

Ondersteunende communicatiehulpmiddelen

Bij OC kun je gebruikmaken van non-tech-, lowtech- en hightechhulpmiddelen:

  • Bij Non-tech hulpmiddelen gaat het onder meer om ondersteunende gebaren, ja/nee-vragen stellen en wijzen, en om zelfgemaakte, relatief eenvoudige hulpmiddelen, zoals een pictobord, fotoklappers of een zelf samengesteld communicatieboek.
  • Lowtech hulpmiddelen zijn eenvoudig te dragen hulpmiddelen om gesproken boodschappen op te nemen en af te laten spelen. Bijvoorbeeld een toetsenbord waarbij onder elke toets een spraakboodschap kan worden opgenomen. De toetsen zijn voorzien van plaatjes, zodat het voor de gebruiker direct duidelijk is onder welke toets welke boodschap te vinden is.
  • Hightech hulpmiddelen zijn geavanceerde spraakcomputers en tablets met een grote variëteit aan apps en bedieningsapparatuur, geschikt voor tekst- en symboolcommunicatie.

 Mythes over OC

Over Ondersteunde Communicatie bestaan hardnekkige vooroordelen en misverstanden die binnen het logopedische werkveld geleidelijk de status van ‘mythes’ hebben verworven; deze zijn onwaar. De mythes zijn inmiddels allemaal ontkracht door talrijke, goed onderbouwde studies. Maar ze blokkeren nog steeds een goede en verantwoorde praktijkvoering, zegt Hans van Balkom, bijzonder hoogleraar Ondersteunde Communicatie aan de Radboud Universiteit. Zijn weerlegging:

Mythe 1: OC geldt als “last resort”. Als alle andere therapieën niet werken, dan rest alleen nog maar OC.

Hans van Balkom: ´Het tegendeel is waar. OC zo snel mogelijk passend inzetten medieert en faciliteert behandeling. Immers, behandelen vereist ook communicatie.´

Mythe 2: Liever geen vormen van OC inzetten, want het belemmert de spraakontwikkeling, omdat het kind niet meer zal oefenen met spreken.

Hans van Balkom: ´Communicatie bevordert taal- en spraakontwikkeling; dat geldt dus ook voor de ondersteuning daarvan. Bij OC is het uitgangspunt zo veel mogelijk te blijven spreken en/of gebaren te maken!´

Mythe 3: Het toepassen van OC bij jonge kinderen kan niet. Ze moeten eerst ver genoeg in hun taal en cognitieve ontwikkeling zijn om te begrijpen dat je met andere vormen ook een boodschap duidelijk kunt maken. OC is anders veel te ingewikkeld voor hen. Kinderen moeten een bepaalde leeftijd hebben om succesvol gebruik te kunnen maken van OC.

Hans van Balkom: ´Interactie leidt tot communicatie. Van daaruit wordt de taalverwerving gestuwd. Communicatie en taalverwerving vormen de belangrijke voorwaarden voor cognitieve ontwikkeling en sociaal-emotionele regulatie. Daarin schuilt de verborgen kracht van OC.´

Mythe 4: Spraakcomputers zijn alleen geschikt voor niet sprekende, normaal intelligente of normaal begaafde kinderen. Kinderen moeten bepaalde (cognitieve en motorische) vaardigheden hebben om baat te kunnen hebben van een spraakcomputer.

Hans van Balkom: ´Tal van bedienings- en zoeksystemen kunnen inmiddels de motorische beperkingen en cognitieve complexiteit reduceren of wegnemen. Bijvoorbeeld de oogbestuurde spraakcomputer voor kinderen met het Rett syndroom. Voor de meest minimale, nog resterende spiersignalen is voor hen nu een sensor en schakelaar aanwezig.´

Mythe 5: Er is een veronderstelde hiërarchie in betekenisverlening, startend bij concrete verwijzers (voorwerpen) naar foto’s, grafische symbolen, lettertekens en schrift (traditionele orthografie).

Hans van Balkom: ´Er is geen enkel bewijs dat dit zo is. Integendeel: de neuro- en cognitiewetenschappen tonen aan dat de complexiteit niet in de soort afbeelding zit maar in de verwerking (waarneming, patroonherkenning, associaties).´

Download de printversie van de Factsheet 'Feiten en cijfers over OC'.

Literatuur

  1. Heim, M. (2012). Stimulerende interactie. Communicatieprogramma COCPvg. Kenniskatern Markant 2012 (5), 4-7.
  2. Heim, M., M. Veen, F. Velthausz (2011). COCP in de VG. Onderzoek naar de effecten, de implementatie en de sociale validiteit van het COCPvg-programma in Esdégé-Reigersdaal. Amsterdam: COCP-publicaties. Te downloaden vanaf www.cocp.nl.
  3. Kilkens, A.C.L. (2015; proefschrift). De ontwikkeling en evaluatie van het communicatie assessment & interventie systeem (CAIS) voor het aanleren van (proto-)imperatief gedrag aan kinderen met complexe ontwikkelingsproblemen.
  4. Schuit, M. van der, Stoep, J., & Balkom, H. van (2012). Kinderen Leren Initiatieven Nemen in communicatie (KLIN©): vroege taalinterventie in een speel-/leeromgeving voor kinderen met meervoudige beperkingen. Orthopedagogiek: Onderzoek en Praktijk, 7-8, 350-368.
  5. Schuit, M. van der, Segers, E., Balkom, H. van, Stoep, J., & Verhoeven, L. (2010). Immersive communication intervention for speaking and non-speaking children with intellectual disabilities. Augmentative and Alternative Communication, 26, 203-220.
  6. Light, J., & McNaughton, D. (2014). Communicative competence for individuals who require augmentative and alternative communication: A new definition for a new era of communication?. Augmentative and Alternative Communication, 30, 1-18.

Gerelateerde Berichten